18 april 2023

WEG VAN KUNST (1)


In het hoge atelier van mijn vader viel het licht schuin naar binnen. Daar dansten stofdeeltjes die zich bij het vallen van de avond weer terugtrokken onder de gietijzeren poten van de drukpers en de schragentafels vol potloden, penselen en verf. Ze vormden er grillige stofbollen die ’s nachts, wanneer wij sliepen, wellicht een eigen leven leidden. Dan rolden ze door het ruitvormige maanlicht, door de gelige gloed van de stad, ze ritselden over etsen en gravures, naar de grote, geheimzinnige schilderijen die met hun kostbare buik tegen de muur rustten. Van mijn vader mocht ik niet zien wat daarop stond afgebeeld, maar de stofbollen wisten het, zij betastten de olieverf; zij nestelden zich er oordeelvrij tegenaan.

Het was in dat atelier, aan een plein in het Antwerpen van de jaren tachtig, dat ik – een zesjarige die bij haar moeder in de polders opgroeide – het deel van mijn vader ontdekte dat nog steeds in mij voortleeft. Daar vonden wij iets om over te spreken, ongeacht het leeftijdsverschil, de generatiekloof, het vacuüm tussen onze dimensies.
Mijn vader was haast een vreemde voor mij – een zenuwachtige, grijzende, struise man die plots, als bij toverslag, erg boos kon worden. Maar hij trok me aan; hij rook naar lavendel, had een mooie stem, een sierlijk taalgebruik, hij droeg mooie sjaals en straalde iets wonderlijks vertrouwds uit.
In zijn atelier gaf hij me kwalitatief papier om op te tekenen, goede penselen en échte verf. Niet die schreeuwerige onzin uit de kleuterklas. En toen ik niet wilde kiezen tussen de ondergaande zon en een felle halvemaan – wat een juffrouw zeker zou verwachten –, maar ze allebei schilderde in een nachtblauwe hemel boven een wakkere zee (met nog een zwarte boot erbij), juichte hij dat toe en veranderde in een trotse vader. Zijn lichaam werd groter en hij boog zich haast beschermend over me heen. Dit was het moment waarop hij me aankon, waarop ik geen ballast meer was, geen vogeltje met een opengesperde bek maar een bondgenoot: samen bevoeren wij de schoonheid.
Na een breuk met mijn vader, vele jaren later, brak ik ook met een stuk van mezelf. Ik stopte met schilderen, tekende enkel nog cartoons voor magazines en concentreerde me op het schrijven. Pas toen hij stierf, begon ik weer te schilderen. Want door mezelf al die tijd tegen hem af te zetten, had ik natuurlijk ook mezelf verloochend.
Mijn schildersatelier is verwant aan het zijne. De oude, houten meubels, het krakerige radiootje dat Klara speelt, een tafel vol tubes en kwasten… En ja, er zijn ook stofbollen, want wie wil er nu poetsen als je kunt schilderen.
Na zijn dood heb ik zijn schildersezel en zijn penselen gekregen. Eerst hield ik die gescheiden van de mijne en werkte er bewust mee. Ik bekeek de uitgedroogde kleuren op zijn mengpalet, dacht aan zijn schildersdroom, zijn teleurstellingen, de verbittering, het verlies van een liefde, de inspiratie die uiteindelijk opdroogde. Ik herinnerde me zijn eenzaamheid, toen hij sprak over een publiek dat hem niet begreep. En ik wilde iets goedmaken maar de verantwoordelijkheid woog te zwaar. Ik greep naar mijn eigen spullen.
Zijn oude schilderijen kreeg ik ook en zo ontdekte ik na al die tijd alsnog wat daarop stond. Er waren prachtige werken bij maar ook heel wat mislukkingen. Ik ontdekte de beperkingen van een man die ik, ondanks onze moeizame relatie, toch totaal had verheerlijkt. En dat voedde de twijfel, want wat als zijn enthousiasme over mijn schilderijen – als kind en daarna – niet de betekenis had die ik eraan had gegeven? Ik had zijn fixatie op goed of slecht geadopteerd, evenals zijn zoektocht naar een soort bovennatuurlijke goedkeuring, en dus vooral: zijn angst om te falen. Een verlammend monster, waartegen hij zich niet had kunnen verweren.
Ik gooide onze penselen bij elkaar en besloot te laten komen wat zich aandiende, zonder een doel in gedachten, zelfs zonder de vader van vroeger, die zich voorwaardelijk in mij had verheugd. Ik begon te schilderen voor mezelf. En toen ontstond er een ruimte waar geen fouten bestaan. Al schilderend leerde ik te leven: je doet iets, en als het niet uitpakt zoals verhoopt, leg je er weer een laag overheen. De textuur van je zoektocht maakt het eindresultaat alleen maar interessanter.

🖊️Deze column van Fleur van Groningen verscheen begin 2023 in het kunstmagazine The Art Couch.