WEG VAN KUNST (1)

In het hoge atelier van mijn vader viel het licht schuin naar binnen. Daar dansten stofdeeltjes die zich bij het vallen van de avond weer terugtrokken onder de gietijzeren poten van de drukpers en de schragentafels vol potloden, penselen en verf. Ze vormden er grillige stofbollen die ’s nachts, wanneer wij sliepen, wellicht een eigen leven leidden. Dan rolden ze door het ruitvormige maanlicht, door de gelige gloed van de stad, ze ritselden over etsen en gravures, naar de grote, geheimzinnige schilderijen die met hun kostbare buik tegen de muur rustten. Van mijn vader mocht ik niet zien wat daarop stond afgebeeld, maar de stofbollen wisten het, zij betastten de olieverf; zij nestelden zich er oordeelvrij tegenaan. Het was in dat atelier, aan een plein in het Antwerpen van de jaren tachtig, dat ik – een zesjarige die bij haar moeder in de polders opgroeide – het deel van mijn vader ontdekte dat nog steeds in mij voortleeft. Daar vonden wij iets om over te spreken, ongeacht het leeftijdsv...