18 februari 2024

ARTISTIEK GEZWETS


Zestien was ik, toen mijn toenmalige leraar schilderen zijn eerste expositie hield en ik samen met een vriendin ging kijken. Het gebeuren vond plaats in een moderne spelonk in een achterhoek van de stad: het smalle kamertje had hoge witte muren, slechts hier en daar was er sporadisch een doek opgehangen. Ik hield halt bij een klein rechthoekig exemplaar. Op het matte, haast onbeschilderde canvas waren slechts een zevental dikke kloddertjes zwarte verf aangebracht. Op het kaartje eronder prijkte een doordachte Engelstalige titel en werd het achterliggende concept toegelicht. Het ging, geloof ik, om een statement. De zinnen waren technisch correct maar ik kon ze niet vatten. Maar de stilte in de ruimte galmde me ongeduldig tegemoet: snap je het nu nog niet?

"Ah, een rozijnenboterham," mompelde ik tegen mijn vriendin, in de hoop het ongemak samenzweerderig weg te gniffelen. Zij barstte in een sardonisch lachen uit. Ik deed opgelucht mee. Toen ving ik de blik op van mijn leraar en zijn galerist: hun beider ogen spuwden vuur. (Nog nét geen getoaste rozijnenboterham.) Vanaf dat moment kreeg ik van hem steeds lage punten op school. Ook liet hij me urenlang in pijnlijke posities model staan voor de rest van de klas, en als zij mij dan tekenden met een enorme kin of een ontbrekende bovenlip, moedigde hij hen luid aan om die onvolkomenheden extra in de verf te zetten. Ik vermoed dat mijn hekel aan de taal van het kunstwereldje, zo rond die tijd is ontstaan.

Of misschien kreeg ik een jaar eerder al mijn twijfels over het conceptuele. Toen hadden we een nieuwe leraar waarnemingstekenen, die tijdens de eerste les een film uit een van zijn installaties aan ons toonde. In dat zwart-wit filmpje rende hij naakt, in slowmotion op de camera toe. Hij was erg mager en had lange haren, die donker om zijn Jezuslijf wapperden. Er was een concept, maar het enige wat ik begreep was dat deze man zo opging in dat concept, dat hij vergat dat hij op de eerste kennismaking met zijn minderjarige leerlingen, zijn blote, wiebelende piemel had laten zien. Ik ervoer dat als volkomen onnodig. 

Momenteel kijk ik naar een Amerikaanse serie waarin een groepje studenten aan de kunstacademie wordt gevolgd. Ze nemen drugs, doen het met elkaar, en daarnaast praten ze geëngageerd over kunst. Zelf heb ik de kunsthumaniora – ondanks die lage punten – wel afgemaakt, maar verloor ik de motivatie om nadien nog naar de kunstacademie te gaan. Ik heb die geëngageerde praatjes dus niet geleerd. Op de humaniora werd er wel wiet gerookt en deden sommigen het met elkaar, maar erbij horen, hield ons meer bezig dan het perspectief van Caravaggio. Laat staan de hulpeloze artistieke zoektocht van Jefke Peeters uit 3A. Soms sprak mijn vader, die daar ook lesgaf, wel met mij over kunst. Hij oreerde dan als een leraar, en ik luisterde met gemengde gevoelens omdat ik vooral verlangde naar een vaderfiguur. Maar hij had het over techniek en compositie, en dat was boeiend. Het kunstwerk in kwestie bleef de boodschapper, de ervaring werd niet gevangen in woorden. Het ging om het scheppingsproces.

Taal kan zo verbindend werken. Maar taal kan evengoed tekortschieten of zelfs gebruikt worden om te manipuleren. En dan ze staat ze ware connectie juist in de weg. Er zijn progressieve kunstwerken geweest die me verontrustten en confronteerden, die iets in vraag stelden in plaats van mijn klassieke honger naar schoonheid te stillen. Dat vond ik interessant en in bepaalde gevallen zelfs ontroerend. Maar het 'artistieke' gezwets over een werk, dat zonder dat gezwets geen enkele boodschap lijkt uit te dragen, dàt heeft me nog nooit geraakt. Dan hoor ik het ene ego het andere ego van iets te overtuigen. Terwijl voor mij ware kunst net dat kleinmenselijke overstijgt.

(Deze column van Fleur van Groningen verscheen in februari in het kunstmagazine The Art Couch)