ZACHTHEID
Het begon in de kleuterklas. En het stopte pas toen ik de schoolpoort voor het laatst uit wandelde. Ze vonden me raar, deden gemeen. Als ik me in mezelf terugtrok, noemden ze me verwaand. Op een dag – ik was zestien- riep iemand me op straat na: “Gij, met uw arrogante smoel, gij denkt zeker dat ge ‘t zijt?!” Ik besloot om voortaan duidelijk te laten merken dat ik het goed meen, want blijkbaar straalde mijn uiterlijk het tegendeel uit. Zo ontstond de rol die ik mezelf op sociale aangelegenheden aanmat. Ik verplichtte mezelf om extrovert te zijn. Om hardop de grappen, opmerkingen en complimenten te maken die ik anders in stilte bedacht. Opdat mijn gezelschap me onbedreigend en misschien zelfs aardig zou vinden, en zich door mijn gevatte reacties op een veilig afstandje zou laten houden. Het was een onbewuste tactiek uit zelfbescherming. Vermoeiend, want ik moest voortdurend alert zijn. Pas toen ik in de twintig was, legde ik uit eenzaamheid mijn clownsmasker af. Voortaan zou ik toch m...